Coige

coige luchtfotoIn het uiterste noordoosten van Leefdaal, en van de gemeente Bertem, ligt een gehucht met een eigenaardige naam: “Coige” 1, of zoals de volksmond zegt: ”de Koezje”. Het is ontstaan rond een hoeve, die logisch het “Coigehof” noemt. De schrijfwijze van de naam is nooit officieel vastgelegd. In de loop van de eeuwen kende men minstens een twintigtal spellingsvarianten. Men gebruikt nu meestal “Coige” in officiële documenten zoals in deze tekst.

Wat betekent de naam “Coige”?

Sinds het begin van de twintigste eeuw hebben bekende taalkundigen verschillende verklaringen gegeven.
De Leuvense professor Albert Carnoy sprak, vrij vertaald uit het Frans, van “een verandering (déchéance) van “kooi, kevie, “enclos” of omheinde ruimte”, waarbij de Nederlandse naam vervormd is door de Franse uitspraak”.
De noeste vorser uit Everberg Frans Maes, waarschijnlijk steunende op de gekende taalkundige Jan Lindemans, dacht dat het gaat om een oude persoonsnaam Kutizo, waaruit Cuthbert, de naam van een populaire Engelse heilige. De naam bestond vroeger ook bij ons. “Coige” of “Kutse”, zou een vleivorm zijn van de Germaanse Cuth of Cuthiso.
Maes heeft een punt. De oudst gekende schrijfwijze uit 1497 van de naam van het gehucht is inderdaad “Cutse”.
Jan Verbesselt, de man van de omvangrijke boeken over het oudste parochiewezen van Brabant, volgt zoals gewoonlijk Maes in zijn teksten over de streek. Deze naamverklaring leidde wellicht tot het vermoeden dat het Coigehof ontstond in de Frankische tijd, die men nu liever rekent bij de “vroege middeleeuwen”, die men bij overeenkomst laat eindigen rond het jaar duizend.

In latere verhandelingen over de toponymie van de streek aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Katholieke Universiteit Leuven wordt geen betekenis van de naam “Coige” meer gegeven. Teken aan de wand? Elke uitleg blijft inderdaad gebaseerd op een behoorlijk smalle basis. Het “Cutse” van 1497 is de enige vorm van dien aard die men kent. Alle andere schrijfwijzen lijken min of meer op het huidige “Coige”. Bovendien liggen lange eeuwen tussen het jaar duizend en 1497.

Bodemkunde

De bodemkunde van het gehucht maakt duidelijk dat het om een eeuwenoud, rijk woudgebied gaat. De ondergrond bestaat gedeeltelijk uit ijzerzandsteen die weinig vruchtbaar is. De bovenliggende leemlaag is bijna overal erg dun en de hellingen zijn soms zo steil dat alleen bossen of desnoods weiden aangewezen zijn, geen akkerbouw. Sommige relatief belangrijke bossen bestaan nog altijd in de omgeving: Moorselbos, Hogenbos, Kinderenbos, Rosbergbos. In vroegere geschriften vind men nog ’s Jansbos, Nieuwenbos, Kettelaarbos- of Aambergbos. De namen van de omliggende gehuchten Vrebos en Moorsel, vroeger Moorseloo, verwijzen eveneens naar vroegere wouden.

Woonkernen

De dorpen in de Voervallei Bertem en Sint-Verone – het vroegere Vroeienberg – zeker, Leefdaal en Vossem waarschijnlijk, kennen nog bestaande woningkernen uit de vroege middeleeuwen, die sindsdien permanent bewoond zijn gebleven. Maar pas in de elfde eeuw begonnen, gestimuleerd door de Brabantse hertogen, de grote bosontginningen op de heuvels. Zij bleven de hele twaalfde en dertiende eeuw doorgaan. Landbouw en veeteelt wonnen wegens de bevolkingsgroei voortdurend terrein op het woud. Er zijn aanwijzingen dat het Coigehof pas ontstaan is in deze periode. Het bleef met het gehucht tot het einde van de achttiende eeuw deel uitmaken van het hertogelijke domein. Het behoorde nooit tot het leen van de heren van Leefdaal, Everberg of Tervuren.

Formeel is dit geen afdoende bewijs tegen de zogenaamde vroegmiddeleeuwse oorsprong. Daarvoor is onze kennis van de periode te beperkt. Het stemt wel tot nadenken. De betekenis van de naam Coige blijft een raadsel. Is dat een belangrijk probleem? Uiteraard niet, hoewel een betere uitleg van de naam wellicht heel wat zou leren over de geschiedenis van het hof.

verwaarloosd coigehofVeel ernstiger is de decennialange verwaarlozing van de hoevegebouwen. De prijs van het verlies van een fraai, historisch hof in een waardevol landschap is zwaar voor de gemeenschap, voor iedereen.

 (dit artikel werd oorspronkelijk geschreven voor en gepubliceerd in de “huiskrant” van Sint-Bernardus en het Dienstencentrum De Blankaart te Bertem)

1 (nota van de webmaster) In de 19e eeuw en vroeger werden klinkers verlengd door er een andere klinker achter te plaatsen, niet door ze dubbel te schrijven. Dus werd “aa” als “ae” geschreven (Leefdael) en “oo” als “oi”. Volgens de cartografen moest je dus “Koozje” zeggen en zeker niet “Kwazje”.

Dit artikel is geplaatst in Geschiedenis. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.